Het straathoekwerk in Vlaanderen is vrij jong. Internationaal gezien en in een brede politiek-sociale context, zijn er heel wat voorlopers van en tendensen in de richting van ons huidig straathoekwerk te ontdekken. Daarvoor verwijs ik naar een blik op de sociale geschiedenis achteraan het boek.
In Vlaanderen begint het allemaal in 1985 met het CAD (centrum voor alcohol en andere drugs) in Limburg dat op zoek gaat naar een manier om een groeiende groep heroïnegebruikers te bereiken, die de weg naar de hulpverlening blijkbaar niet vinden. Na verschillende bezoeken aan Nederland, waar het straathoekwerk reeds lange tijd actief is, introduceren zij de werkvorm in 4 verschillende Limburgse steden en gemeenten. Het straathoekwerk is geboren en vertrekt meteen vanuit een duidelijk welzijnsgerichte benadering: een aanbod creëren op straat voor mensen die anders uit de boot zouden vallen.
Het duurt niet lang alvorens andere projecten volgen: straathoekwerk vanuit De Sleutel en Payoke in Antwerpen, Adzon in Brussel en straathoekwerk georganiseerd door de stad Gent. Allemaal projecten met een duidelijk doelgroepgerichte werking. In de jaren tachtig wordt er voornamelijk gewerkt met druggebruikers, (jongens)prostitué(e)s, maatschappelijk kwetsbare jongeren en dak- en thuislozen. Iets later zullen daar nog voetbalsupporters bijkomen.
De financiering gebeurt voornamelijk via DAC contracten (Derde Arbeidscircuit, een ‘nepstatuut) en het fonds Lenssens. (Voorloper van het VFIA en het VFIK, later het SIF)
In 1992 treedt er voor het straathoekwerk een grote verandering op. Op het Ministerie van Binnenlandse Zaken creëert men dan de veiligheidscontracten (later de samenlevings- en preventiecontracten). Deze contracten kennen een politioneel en een socio-preventief luik en het is binnen dit laatste dat het straathoekwerk zijn plaats heeft. Aangezien deze middelen alleen ter beschikking staan van (sommige) steden en gemeenten, zijn het niet enkel de welzijnsorganisaties die nieuwe projecten oprichten. Ook de invalshoek verandert: van een welzijnsbenadering wordt de overgang gemaakt naar een overlastbenadering. Het beleid begrijpt snel dat straathoekwerkers gemakkelijk contact krijgen met die groepen die doorgaans als overlastveroorzakers gezien worden.
Tel daar de veranderende maatschappelijke context bij door politieke aanslagen (CCC, Bende Van Nijvel…), milieu- en andere rampen (Heizeldrama, …), de terugtrekking van het sociaal werk en een sterke politieke verrechtsing (Reagan, Thatcher, Zwarte Zondag,…), met een bevolking die steeds banger wordt en men ziet al snel in straathoekwerk een uitgelezen instrument om lastige groepen in toom te houden.
De veiligheidscontracten zijn een zegen, maar ze vormen ook een bedreiging. Enerzijds stijgt het aantal projecten en werkers, anderzijds worden zij steeds meer onder druk gezet om controlerend de straat op te trekken. Het straathoekwerk is er echter steeds in geslaagd om de welzijnsbenadering centraal te houden.
Omwille van deze druk en omdat straathoekwerkers steeds meer de nood ervaren om methodisch ondersteuning te zoeken bij elkaar, wordt in 1990 Vlastrov (voluit VLAams STRaathoekwerk OVerleg) opgericht. Eerst nog als feitelijke vereniging en in 1992 als vzw (met financiering vanuit Welzijn als niet gereglementeerd project). De kerntaken toen (en nu) van de koepelorganisatie zijn: methodiekondersteuning, promotie van het straathoekwerk en belangenbehartiging van de doelgroepen.
Voor de dagelijkse ondersteuning van de verschillende projecten verspreid over Vlaanderen volstaat de werking van Vlastrov alleen niet. Daarom wordt er al snel geopteerd om provinciale ankerpunten op te richten. Zo ontstaat in 1994 Astrov als vzw voor de provincie Antwerpen, in 1995 het LiSS voor de provincie Limburg en in 1996 VOS voor de provincies Oost- en West-Vlaanderen. Zij staan in voor de dagelijkse ondersteuning van projecten, het begeleiden van organisaties of overheden bij het oprichten van nieuwe projecten, het promoten van straathoekwerk op lokaal niveau en het brengen van signalen over de doelgroepen op beleidsniveau. Deze koepels zijn zelfstandige vzw’s, betoelaagd door de provincies. In 2004 komt daar de oprichting van Westrov bij voor West-Vlaanderen en sinds 2009 is er een, voorlopig niet betoelaagd, ankerpunt voor Brussel, namelijk Via-B. In Vlaams Brabant is er geen ankerpunt.
Tot 1999 is Vlastrov een autonome vzw. De Vlaamse Gemeenschap zet een fusiebeweging in gang binnen het sociaal werk en Vlastrov wordt een onderdeel van het SAW (Steunpunt Algemeen Welzijnswerk). Hoewel Vlastrov weinig te maken heeft met de CAW’s, vinden zij elkaar in het promoten van een welzijnsgerichte benadering.
Ook na 1999 blijft het straathoekwerk verder groeien, voornamelijk dankzij de veiligheidscontracten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, maar ook door enkele organisaties die beslissen straathoekwerk via eigen middelen te financieren.
Hoewel de dualiteit welzijn - veiligheid een belangrijke evenwichtsoefening betekent voor de werkers in de praktijk (de tegenstelling tussen de werkvorm en de financiering), krijgt het straathoekwerk in 2005 erkenning door de federale regering voor zijn welzijnsgerichte manier van werken.